1899-2011, DE GESCHIEDENIS VAN BEERSCHOT
In 1895 kocht Ernest Grisar een paardenrenbaan met bijhorende accomodatie in de wijk Kiel, ten zuiden van de stad Antwerpen, goed voor 19 hectaren grond. Zijn zoon, Alfred, stelde voor een sportclub met verschillende sporttakken op te richten: hockey, polo te paard, paardenjacht en drags, cricket, rugby, tennis, atletiek en, uiteraard, voetbal, Alfreds lievelingssport. Vader Ernest stemde in en richtte de club op 3 september 1899 op.
Ontstaan van de naam Beerschot
Twee maanden later overleed Ernest Grisar echter. Zoon Alfred, die aan het College of Brighton studeerde in Engeland, keerde naar België terug en werd eigenaar van de twee maanden oude club. Hij noemde ze “Beerschot”. Voor het ontstaan van die naam zijn er verschillende verklaringen. De meest plausibele is dat Grisar een oude benaming van Friezen en Franken had overgenomen. Die noemden de wijk Kyle en Bernescot. Het noordelijke deel situeerde zich rond de Oever en de Sint-Jansvliet, met als kern Het Zand, waar toen het haventje “Kyle” gesitueerd was. De eerste geschriften over Bernescot dateren vermoedelijk uit de dertiende eeuw, toen Antwerpen en het gehucht Hoboken een geschil hadden over een gebied dat tussen twee gemeenten lag. Het gebied was een “scot”, een afgebakend terrein waarop everzwijnen werden gehouden. Omdat een mannelijk everzwijn een “beer” is, kreeg het gebied eerst de naam Berenscote, later Bernescot.
In 1511 werd het Bernescot geschonken aan een Norbertijnerabdij. In de 18de eeuw liet abt Christomus Teniers er een poort plaatsen met zijn wapenschild, een beer met drie eikels, en zijn lijfspreuk “Tene quod bene”, Latijn voor “Behoud wat goed is”. Ook in de daaropvolgende eeuwen bleef de wijk – die eigenlijk eerder Beerschot dan het Kiel had moeten heten – een eigenzinnige koers varen ten opzichte van het centrale stadsbestuur.
De start
Alfred Grisar contacteerde vier van zijn beste vrienden om mee het bestuur van de nieuwe club te vormen en elk werden ze verantwoordelijk voor een sporttak. Alfred zelf koos het voetbal; hij was een paar jaar voordien nog doelman geweest van... Antwerp. Max Elsen was de eerste voorzitter van Beerschot, andere bestuurders waren Edouard Lysen, Charles Hunter en Paul Müller.
De club ging als Beerschot Athletic Club door het leven en koos paars-wit als clubkleuren. Om aan spelers te geraken zocht Alfred Grisar een aantal gewezen ploegmaats van bij Antwerp op. Dit verklaart de grote rivaliteit tussen beide Antwerpse clubs.
Op 8 april 1900 verloor Antwerp de playoffs van het Belgisch kampioenschap van Racing Club Brussel met 1-0. Het seizoen daarop vertrokken heel wat Antwerp-spelers richting Kiel, mede omdat de houten sportinstallaties op het Kiel de mooiste van het land waren. De 6de mei 1900 werd Beerschot officieel voorgesteld tijdens een vriendschappelijke wedstrijd tegen de reserven van Antwerp. Op 15 juli werd de club lid van de UBSSA, de voorloper van de Koninklijke Belgische Voetbalbond. (Pas jaren later, in 1926, werden de stamnummers toegekend: Beerschot ontving nummer 13.). De allereerste competitiewedstrijd werd een eclatant succes.
Nog geen jaar later gaf Elsen het voorzitterschap al door aan Paul Havenith, die zich had toegelegd op het verbeteren van de infrastructuur en het verzamelen van middelen om een naamloze vennootschap op te richten. Die NV werd op 11 april 1901 geïntroduceerd: acht aandeelhouders brachten elk twintigduizend frank kapitaal in.
In 1902 fuseerde Beerschot met de Antwerp Lyon’s Club.
In de beginjaren draaide Beerschot mee als middenmoter in de zogeheten eere-afdeling, net als concurrent en stadsgenoot Antwerp. In 1906 zakte Beerschot AC naar de tweede afdeling (dat toen nog “promotie” of bevordering heette). Een jaar later keerde paars-wit al terug op het hoogste niveau, na een seizoen waarin het onder meer met 35-0 had gewonnen van AF Alliance.
Eén van de eerste uitblinkers was de van origine Armeniër Vahram Kevorkian, die in het seizoen 1908-1909 topschutter werd met 30 doelpunten. Beerschot kende een bijzonder productief seizoen toen. Uitschieter was de 16-0 tegen FC Luik. Omdat hij altijd in België had gespeeld, mocht Kevorkian zelfs meedoen met de nationale ploeg. Het bleef bij één interland. Kevorkian overleed in juli 1911, nauwelijks 23 jaar oud, aan de gevolgen van verwikkelingen na een operatieve ingreep voor een blindedarmontsteking. Hij geldt als één van de beste voetballers in de Belgische competitie voor de Eerste Wereldoorlog.
Gloriejaren tussen de oorlogen
In 1913 werd er een nieuw stadion gebouwd. De tribune was 75 meter lang en bood plaats aan drieduizend toeschouwers. De staantribunes rondom het veld waren nog eens goed voor vijftienduizend plaatsen. In 1919 werd het stadion verbouwd tot een Olympisch Stadion met een oppervlakte van 5 hectaren. Er was plaats voor 30.000 toeschouwers, met onder meer tienduizend zitplaatsen. Een jaar later was Antwerpen gaststad van de Olympische Spelen.
Het nieuwe stadion en een nieuwe lichting spelers zorgden voor glorieuze momenten. De jaren twintig werden internationaal “the roaring twenties” genoemd, maar voor Beerschot waren het de gouden jaren uit de geschiedenis. Aan het eind van het seizoen 1921-1922, om precies te zijn op 18 juni 1922, werd de eerste landstitel behaald. Er volgden titels in 1924 en 1925, waarna de club een koninklijke titel kreeg. Voluit werd het dan Royal Beerschot Athletic Club, afgekort tot R. Beerschot AC. Nieuwe titels werden gevierd in 1926 en 1928. Met andere woorden: in 7 seizoenen werd Beerschot maar liefst 5 keer kampioen van België. Begin jaren dertig werd deze succesperiode onderbroken en vertoefde paars-wit opnieuw in de middenmoot. Maar aan het eind van de jaren dertig was Beerschot weer twee keer primus, in 1938 en 1939. Jammer genoeg werd de succesreeks toen onderbroken door de Tweede Wereldoorlog.
Grote naam uit die succesperiode is die van Raymond Braine, spelmaker en topschutter. Hij was de eerste Belg die in het buitenland furore zou maken, bij Sparta Praag, al ging daar wel een conflict met de voetbalbond aan vooraf, die van oordeel was dat voetballers amateur moesten blijven. In Praag werd Braine nog twee maal kampioen en won hij de Mitropa Cup, toentertijd de voornaamste beker waaraan kampioenen uit verschillende Midden-Europese landen deelnamen. De terugkeer van Braine, in 1938, viel niet toevallig samen met de twee laatste kampioenenjaren van de club.
De Coppens-jaren
Na de oorlog slaagde Beerschot er niet meer in opnieuw aan te knopen met de tussenoorlogse successen. Het zou bij die zeven titels blijven. Ondanks de aanwezigheid vanaf 1946 (op zijn zestiende!) van de briljante Rik Coppens, een technisch vaardige speler, die vlot scoorde en het publiek entertainde. Coppens werd in 1954 winnaar van de allereerste Gouden Schoen, die de beste voetballer in de Belgische competitie bekroonde. Toen kon een speler slechts één keer in zijn carrière de Gouden Schoen winnen, zoniet zou Coppens hem ongetwijfeld nog meerdere keren ontvangen hebben. Coppens werd ook drie keer topschutter. In 1956 werd in het Olympisch Stadion de eerste wedstrijd onder kunstlicht gespeeld.
Ook in de jaren zestig brak Beerschot geen potten. Hoger dan de middenmoot reikte de club zelden, af en toe dreigde zelfs de degradatie. Dat alles onder aanvoering van Jan Verheyen. Op het Kiel was hij rechtsbuiten, later zou hij bij Anderlecht international worden als middenvelder. Verheyen miste twee strafschoppen in de verloren bekerfinale tegen Club Brugge in 1968. Na 135 minuten stond het 1-1, Club won met de strafschoppen. Kort daarna werd de naam officieel vervlaamst tot Koninklijke Beerschot Voetbal en Atletiek Vereniging (K. Beerschot VAV).
Revanche voor het bekerverlies tegen Club volgde in 1971. Beerschot mocht opnieuw naar de Heizel, dit keer was Sint-Truiden de tegenstander. 2-1 winst na verlengingen was het resultaat, het was de afscheidswedstrijd van Jan Verheyen in het shirt van de Mannekens.
Jaren zeventig
De jaren zeventig waren uitstekende jaren voor Beerschot. Niet dat de club ooit mocht ambiëren om mee te strijden voor de titel, daarvoor waren de prestaties te onregelmatig. Maar zeker in het Olympisch Stadion was Beerschot een te duchten tegenstander (een stadion dat inmiddels in handen was gekomen van de stad Antwerpen).
Onder voorzitter Pierre Stoop en manager Aloïs Derycker (voor die tijd een man met zeer vooruitstrevende ideeën) werd supertalent Juan Lozano ontdekt, groeiden Walter Meeuws en Arto Tolsa uit tot sterkhouders en kocht de club internationale sterren als Lothar Emmerich, Emmanuel Sanon en Jan Tomaszewski.
Het vertrek van Derycker (naar Lokeren) en het overlijden van Stoop (in 1978) luidden de neergang in. Al werd in 1979 nog wel de beker gepakt: 1-0 zege tegen, alweer, Club Brugge. Johan Coninx scoorde de enige treffer, Manu Sanon was een gesel voor de Brugse defensie, waarvan intussen Walter Meeuws deel uitmaakte. Toen een jaar later Juan Lozano vertrok naar de Washington Diplomats waren de mooie jaren zeventig definitief voorbij.
Aan het eind van het seizoen 1980-1981 volgde een pijnlijke anti-climax. Beerschot had zich net kunnen redden, maar werd veroordeeld wegens omkoping. Vijfenzeventig jaar na de eerste degradatie, in 1906, moest paars-wit opnieuw een reeks lager gaan spelen.
Het verval
Het verblijf in de tweede klasse duurde weliswaar weer maar één seizoen. In 1982 ging Seraing nipt met de titel aan de haal, maar Beerschot won de daaropvolgende eindronde met vier. Opnieuw in eerste klasse moest Beerschot zich tevreden stellen met een rol als meeloper, al volgden nog enkele fijne uitschieters: 4-0 winst tegen het grote Anderlecht uit de jaren tachtig (1987), 5-1 winst tegen aartsrivaal Antwerp (1988). En met Dirk Goossens leek een nieuwe supervedette opgestaan, maar hij kon de weelde en al die aandacht niet torsen. Ook Patrick Vervoort was een international die op het Kiel zijn debuut maakte.
Eind jaren tachtig was de financiële toestand onhoudbaar geworden. De betere spelers vertrokken, het toeschouwersaantal daalde drastisch. Het onafwendbare gebeurde: laatste plaats in 1990-1991 en degradatie naar derde klasse wegens de financiële problemen. De naam veranderde nogmaals - tot Beerschot Voetbal en Atletiek Club (Beerschot VAC), in 1995 uitgebreid met de term “Koninklijke” -, er werd meteen een titel gevierd in derde klasse, maar de daaropvolgende seizoenen slaagde Beerschot er nooit in te promoveren naar eerste. Vier keer tereke moest de eindronde worden gespeeld, telkens zonder succes.
Het verval was niet meer te stuiten. In mei 1998 werd Beerschot afgetekend laatste. Het seizoen daarop, in derde klasse, was het einde nabij. De financiële perikelen waren dermate groot, dat er heel wat deurwaarders hun weg naar het Olympisch Stadion vonden. Beerschot eindigde op een degradatieplaats, maar had net voordien de fusie met Germinal Ekeren aangekondigd. De allerlaatste wedstrijd van het oorspronkelijke Beerschot werd met 1-2 verloren van KFC Rita Berlaar. Op 9 mei 1999 waren er meer dan vijfduizend bezoekers op het Kiel. De tranen vloeiden rijkelijk. Dit was het einde van stamnummer 13.
Germinal Beerschot
Het nieuwe stamnummer werd 3530, dat van Germinal Ekeren. Beerschot was een ploeg zonder geld en met een gigantische schuldenberg, Germinal zocht dringend een terrein omdat het zijn stadion in het Veltwijckpark niet mocht uitbreiden omwille van protesterende buurtbewoners. Een groter stadion was noodzakelijk om een licentie van de voetbalbond te krijgen. Op 21 januari 1999 werd de fusie beklonken, Germinal-voorzitter Jos Verhaegen werd de grote man van KFC Germinal Beerschot Antwerpen. Een NV, op vraag van Ajax Amsterdam, beursgenoteerd bedrijf en minderheidsaandeelhouder. Als clubkleuren werd gekozen voor paars, nog altijd de dominante kleur, in combinatie met het geel-rood van Germinal. Onder trainer Franky Van der Elst speelde Germinal Beerschot (de “Antwerpen” viel er vrij snel af) aantrekkelijk voetbal. Dat ontging ook Ajax niet, dat zijn aandelenpakket opdreef tot het de meerderheid in handen kreeg. Het leverde Ajax jonge talenten als Tom De Mul, Thomas Vermaelen en Jan Vertonghen op. De samenwerking zou slechts vier seizoenen duren; toen nam de groep rond Jos Verhaegen de club opnieuw in handen. In de competitie slaagde Germinal Beerschot er nooit in om Europees voetbal af te dwingen, via de beker lukte dat wel. In 2005 maakten twintigduizend supporters in het Koning Boudewijnstadion mee dat Germinal Beerschot Club Brugge versloeg met 2-1, doelpunten van Karel Snoeckx en Kris De Wree. Het zou de enige trofee van de fusieclub worden. In de daaropvolgende Europese campagne werd Germinal Beerschot pas na het nemen van strafschoppen gewipt door het grote Olympique Marseille. Germinal Beerschot stond bekend om zijn technisch verzorgde voetbal. Marc Degryse beleefde nog een mooie fin de carrière op het Kiel, terwijl François Sterchele, Hernan Losada en Gustavo Colman voor mooie momenten zorgden, en de club meerdere seizoenen na elkaar de topschutter van de competitie leverde. Omwille van gezondheidsredenen zette Jos Verhaegen een stap terug, Herman Kesters werd de nieuwe voorzitter.
The bear is back
Het seizoen 2010-2011 werd gekenmerkt door interne strubbelingen en een pijnlijke machtsstrijd die uitgebreid werd uitgesmeerd in de media. In februari 2011 verwierf bestuurder Patrick Vanoppen 99 procent van de aandelen. Hij nam afscheid van de meeste leden van het bestaande managementteam en omringde zich met een resem nieuwe medewerkers. In mei wijzigde hij de clubnaam officieel in Koninklijke Beerschot Antwerpen Club (K. Beerschot AC). Het nieuwe logo geeft de beer opnieuw een prominente plek. En de tekens links van de beer verwijzen naar het getallensysteem van de Maya’s en moeten gelezen worden als “13”. Ook de spreuk “Tene quod bene” is terug aanwezig in het logo, net als de eikels. Al blijft voorlopig nog stamnummer 3530 gelden.
Met de terugkeer van de Argentijnse publiekslieveling Hernán Losada, het definitief aantrekken van de de Uruguayaanse centrale verdediger Gary Kagelmacher, ex-Real Madrid, en de spraakmakende come-back van doelman Stijn Stijnen wil Beerschot AC op termijn een vooraanstaande rol gaan spelen in het Belgisch voetbal. “The bear is back” luidt het motto.
